Hoe smal mag de kerk worden? Minder ballast voor een missionaire kerk

door | 1 maart 2020 | Trends en ontwikkelingen | 0 Reacties

Home » Trends en ontwikkelingen » Hoe smal mag de kerk worden? Minder ballast voor een missionaire kerk

In de afgelopen decennia zijn tal van nieuwe vormen van kerk-zijn ontstaan. Kerken worden gevormd door en in het missionaire proces. Maar, ís dit (nog) kerk?! Hoe ver kan het begrip kerk worden ‘opgerekt’? Als de kerk zó vloeibaar wordt, verwatert zij dan niet?

Kun je ook van kerk spreken als een groep Alpha-cursisten, die tijdens de cursus tot geloof gekomen zijn, maar geen aansluiting vinden bij de bestaande kerk, als groep doorgaat op doordeweekse avonden samen te eten, te bidden en bijbel te lezen? Hoe smal mag de kerk worden? Ik wil de vraag van drie kanten bekijken: vanuit het Nieuwe Testament, vanuit de kerkgeschiedenis en vanuit onze huidige missionaire context. Vervolgens probeer ik een soort ‘ecclesiologisch minimum’ te formuleren: een set van minimale kenmerken die nodig zijn wil je nog van kerk kunnen spreken.

De ‘hoge’ ecclesiologie van het Nieuwe Testament

Het Nieuwe Testament spreekt ‘op verhoogde toon’ over  de kerk. Zij is Gods eigendom, het lichaam en de bruid van Christus en de tempel van de Heilige Geest. Het is  voor de kerk dat Christus zich heeft prijsgegeven (Ef. 5:25). ‘Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle zonde vrij te kopen, ons te reinigen en ons tot zijn volk te maken’ (Titus 2:14). Overal waar in Handelingen mensen tot geloof komen worden zij ‘toegevoegd’. Christus blijkt niet ‘los verkrijgbaar’. De Geest doopt ons tot één lichaam (1 Kor. 12:13). In de eerste brief van Johannes worden verbondenheid met God en met elkaar probleemloos met elkaar verknoopt (zie bijv. 1:6-7). Behoren bij Christus en níet bij zijn kerk blijkt een onmogelijke combinatie. Je kunt niet de bruidegom liefhebben en de bruid negeren; je kunt niet het Hoofd dienen en het lichaam afwijzen. Maar om welke kerk(vorm) gaat het dan? Daarin is het Nieuwe Testament niet eenduidig. Dat loopt van een ambtsloze charismatische structuur (Korinthe) tot een pre-bisschoppelijke ambtsstructuur (Timotheüs) en alles daar tussenin (Handelingen, Efeze). Zo helder en eendui-dig als het Nieuwe Testament spreekt over de noodzaak van de kerk, zo divers is het spreken over de praktische uitwerking ervan. Dat geeft speelruimte: niet om de kerk af te schaffen, maar wel om haar naar tijd en omstandigheden om te vormen en aan te passen.

De kerk wordt steeds ‘dikker’

Dat de kerk geen bijzaak is laat de kerkgeschiedenis van het begin af zien. Al in de vroegste credo’s en doopbelijdenissen komen we – in verschillende varianten – ‘de ene, heilige, algemene en apostolische kerk’ tegen. Om die te bewaren en te vrijwaren van ketterij, werd er over haar wezen en gestalte steeds meer vastgelegd. Er trad een toenemende ‘verdikking’ op. Het eenvoudige ‘waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn’ voldeed al snel niet meer. Er moest óók een ambtsdrager zijn – al gauw een bisschop – en sacramenten en een kerkorde en een kerkgebouw en een… Bovendien maakte de kerk zich ook letterlijk ‘breed’. Zoals God onze Vader is, zo is de kerk onze moeder en ‘buiten de kerk is er geen heil’ (Cyprianus). In de 16e eeuw zorgt de reformatie wel voor enige afslanking – de zuivere bediening van Woord en sacramenten (en de tucht) – maar ze bleef tegelijk veel belang hechten aan het instituut en aan het ambt. Ook in de ‘vrije kerken’ – die zich juist willen onderscheiden van het instituut – treedt steeds weer institutionalisering op. Wat eerst nieuw en vernieuwend was, is een generatie later gestold tot een traditie waaraan niet mag worden getornd. Het is blijkbaar niet eenvoudig om het apostolische – het conserverende, bewarende – en het profetische – het vooruitstrevende, vernieuwende – in een gezonde bijbelse balans te houden.

Kerk voor de wereld!

In de vorige eeuw gaat – onder invloed van de groeiende evangelische en oecumenische beweging – de aandacht steeds meer uit naar de betekenis van de kerk voor de wereld. Dat de kerk apostolisch is, betekent vooral dat zij gezonden is. De zending gaat aan de kerk vooraf. Eérst de missiologie, dán de ecclesiologie. Dit schuurt tegen de apostolaatstheologie van de missioloog Hoekendijk aan, die de kerk een functie van het apostolaat noemde: een middel en geen doel (rond 1950). Het is duidelijk wat de winst ervan is: niet alle aandacht en energie naar bínnen, maar naar buíten gericht. Niet wat de kerk ís, maar wat zij dóet staat voorop. En hoe de kerk er dan uit gaat zien, dat blijkt dan wel. Alles is open, niets ligt vast. Een smalle kerk met zo min mogelijk ballast.

Wanneer zakt de kerk onder haar BMI?

Afslanken is in, ook voor de kerk. De vraag is wel hoe dun de kerk kan worden zonder zichzelf te verliezen. Met andere woorden: wanneer zakt de kerk onder haar BMI? BMI staat voor Body Mass Index en is een index voor het gewicht in verhouding tot de lichaamslengte. Een BMI-waarde onder de achttien duidt op ondergewicht en brengt risico’s mee voor de gezondheid. Een mens kan dus niet alleen te dik zijn, maar ook te dun. Zo is het naar mijn mening ook met de kerk. Prima om de niet-noodzakelijke ballast weg te doen, maar de kerk is meer dan haar functie. Zij is ook een samenkomst, een plaats van aanbidding, een gemeenschap waar wordt gediend en gedeeld. In de kerk regeert Christus, zichtbaar en hoorbaar.

Zoeken we naar een ecclesiologisch minimum dan gaat het in de kerk om een concreet zichtbare gestalte van de heerschappij van Christus. Dat laatste is het principiële uitgangspunt. De kerk is meer dan een menselijke samenkomst of instelling. Zij komt eerst van ‘boven’, voordat zij van ‘beneden’ komt. Voordat zij vergaderende gemeenschap is, is zij vergaderde gemeenschap, geróepen door Hem die haar verworven heeft ‘door het bloed van zijn eigen Zoon’ (Hand. 20:28). Die kun je niet zomaar ‘resetten’ en ‘opnieuw uitvinden’. Alsof er geen bron is van waaruit zij leeft en waaraan haar doen en laten steeds weer geijkt moet worden (het Nieuwe Testament) en alsof God niet reeds door zijn Geest een lange geschiedenis met haar is gegaan. Nu levert noch het Nieuwe Testament, noch de kerkgeschiedenis, een afgerond model aan de hand waarvan je zou kunnen zeggen: kijk, dat is kerk en dat niet. James Dunn1 noemt de kerkvormen in het Nieuwe Testament een ‘spaghetti-junction’, een bijnaam voor een berucht verkeersplein in Birmingham (zie foto).

Hoe smal mag een kerk worden?

Maar er is, aldus Dunn, wel een duidelijk aanwijsbaar verenigend centrum: Jezus is HEER. Dat is de kern. Die heerschappij krijgt vorm in steeds weer nieuwe situaties. Dat gebeurt niet vanuit een soort ‘nul-situatie’. Het is niet mogelijk en niet nodig om ‘over de kerkgeschiedenis heen terug te springen’ naar de eerste gemeente en opnieuw te beginnen. Het ‘samen met alle heiligen’ (Ef. 3:18) geldt niet alleen ‘horizontaal’ (over de breedte van de huidige christenheid), maar ook ‘verticaal’ (over de lengte van de hele kerkgeschiedenis). Een kerk kan niet ‘op zichzelf’ bestaan; zij is altijd verbonden met andere kerken in heden en verleden. Tegelijk kan zij wel ‘als nieuw’ bestaan. Geleid door de Geest naar nieuwe vormen in nieuwe tijden. De kerk bewaart wat haar van Godswege in de geschiedenis is toevertrouwd (apostolisch) en anticipeert op wat nog voor haar ligt (profetisch). Continuïteit en flexibiliteit gaan hand in hand en zijn beide onontbeerlijk. Die continuïteit loopt vooral gevaar in veel nieuwe vormen van kerk-zijn. Nieuwe planten met weinig wortels groeien over het algemeen wel snel, maar nooit lang. Die flexibiliteit staat onder druk in meer gevestigde kerken en gemeenten. Ook in ‘nieuwere’ gemeenten ontstaat na verloop van tijd bijna onopgemerkt een eigen cultuur die min of meer ‘heilig’ wordt verklaard. En in negen van de tien gevallen gaat dit ten koste van de missionaire slagkracht van de gemeente.

Hoe smal mag de kerk worden?

Voorop staat: de kerk is niet van ons. Noch van de bis schop, noch van de kerkenraad, noch van de gemeente. Zij is van God. Zij heeft geschiedenis en toekomst. Zij heeft traditie nodig en vernieuwing. Om die reden formuleer ik mijn ecclesiologisch minimum als volgt:

Kerk is daar waar ‘twee of drie’ samen zijn geroepen (A) en in verbondenheid met de kerk van alle tijden en van alle plaatsen (B) belijden dat Jezus HEER is (C) en vormen zoeken (D) om zijn heerschappij (C) in steeds weer nieuwe situaties (E) door de kracht en de gaven van de Heilige Geest (F) gestalte te geven (D).

Elke bestaande én nieuwe kerk zou met deze ‘ijkpunten’ zichzelf kunnen bevragen:

  1. Zijn we ons ervan bewust dat we samenkomen omdat we samen zijn geroepen? Dat we met andere woorden niet van onszelf zijn, maar van Hem die ons geroepen heeft?
  2. Realiseren we ons dat we hoe dan ook in een traditie staan, zelfs als we los van welk verband ook zijn ontstaan? We hoeven niet elk wiel steeds weer opnieuw uit te vinden. We hoeven ook niet alle fouten van het verleden te herhalen, maar mogen profiteren van de lessen die al eerder getrokken zijn.
  3. Is Jezus de kern en het verenigend centrum en wordt elke (beleids)beslissing afgemeten aan zijn wil en weg?
  4. Water kun je niet drinken zonder glas. Vormen en gestalten zijn nodig om het ‘levende water’ te kunnen drinken en doorgeven. De theoloog Noordmans spreekt van gestalten die wisselen: ‘De gestalten wisselen elkaar af in de tijd, door de geschiedenis; een gestalte houdt het nooit voor de eeuwigheid. De gestalten van de Geest worden steeds weer verbroken om dan plaats te maken voor nieuwe gestalten.’2 Om een balletje op te gooien: Zou het vandaag misschien de tijd kunnen zijn om het zogenaamde drievoudig ambt van predikant-ouderling-diaken te vervangen door de vijfvoudige bediening van apostel-profeet-evangelist-herder-leraar of een andersoortige flexibeler gavengerichte gemeentestructuur.
  5. De kracht van het Evangelie is dat het op elke tijd en cultuur in kan gaan zonder er in op te gaan. Zoals God door de profeten ‘op velerlei wijzen en langs velerlei wegen’ gesproken heeft (Hebr. 1:1), zo kan en wil Hij dat ook vandaag doen door kerken en gemeenten. Zoeken en gebruiken wij die ruimte wel voldoende?
  6. Met de uitstorting van de Heilige Geest begint de geschiedenis van de kerk. Het charisma gaat vooraf aan het ambt. Dat wil niet zeggen dat we allemaal ‘charismatisch’ moeten zijn in de beperkende betekenis die het woord heeft gekregen. Ook hoeven niet persé alle in het Nieuwe Testament genoemde gaven in onze gemeente aanwezig te zijn. Want ook die zijn situationeel bepaald. De Geest schenkt ze hoe en waar en wanneer Hij wil. Het betekent wel dat allen meedoen: ‘In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente’.

Ruimte en bedding

Wat betekent dit alles nu voor de ‘fresh expressions’, nieuwe kerkvormen en pionierplekken en andere kerk-plekken? Dat er veel ruimte is om te experimenteren en nieuwe vormen te zoeken, maar dat die ruimte niet onbeperkt is. Twee of drie mensen die samenkomen om te eten, te bidden en/of bijbelstudie te doen, vormen nog geen kerk. Er zal een vorm van verbondenheid moeten zijn met andere kerken en gelovigen, minimaal langs de weg van het willen putten uit en leren van andere tradities. Er zal vorm gegeven moeten worden aan de heerschappij van Jezus Christus op terreinen als diaconaat, zending & evangelisatie, gemeenteopbouw, doop en avondmaal. Er zal ruimte en aandacht moeten zijn voor het ontdekken van de gaven van de Geest die deze gemeenschap geschonken zijn en wat dat betekent voor de organisatie en leiding van hun kerk en voor hun roeping en opdracht in de wereld. De aan het begin genoemde groep Alpha-cursisten zou tot een kerk uit kunnen groeien, maar zou evengoed beperkt kunnen blijven tot een vorm van geloofsgemeenschap die (nog) geen kerk is. Ik stel vast dat dit ecclesiologisch minimum heldere kaders schept die maximale ruimte bieden en tegelijk een bedding geven. We moeten elkaar – ‘in overeenstemming met de Heilige Geest’! – ‘geen andere verplichtingen opleggen dan wat strikt noodzakelijk is’ (Hand. 15:28). Dat noodzakelijke is gelegen in de belijdenis ‘Jezus is HEER’ en het leven onder zijn heerschappij. Daarmee staat of valt elke kerk. Dan is er veel mogelijk. Laten we van daaruit creatief en met durf de kerk gestalte geven vandaag.

1 In Unity and Diversity in the New Testament (London: SCM Press, 1977), p. 122
2 Berkhof over Noordmans in Bulletin voor Charismatische Theologie No. 1(1978), p. 9

Teun van der Leer

Teun van der Leer is docent Baptisten Seminarium van de Unie van Baptistengemeenten in Nederland, Vrije Universiteit, Boekenredacteur Inspirare en voorganger van de CAMA-gemeente in Woerden.

Gerelateerde artikelen

Samenspel: kansrijk veranderen in de kerk

Samenspel: kansrijk veranderen in de kerk

Opzet en aanpak Uitgangspunt voor Bert Bakker is dat er wat te kiezen valt als het gaat om de aanpak van veranderingen. Zijn leermeester Jan Hendriks hield hem dat al voor en zonder enige twijfel kiest Bert Bakker voor de gezamenlijke trektocht en niet voor de...

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.