Vreemdelingen en priesters – lezing Stefan Paas

Vreemdelingen en priesters – Missionaire gemeenschap in een postchristelijke omgeving
Lezing op 01 10 2015 van Stefan Paas (VU, TUK)

[tabs style=”h1″ icon_color=”#dbdbdb” icon_current_color=”#eeee22″]
[tab title=”1a” ]Een paar theologische gedachten bij ‘gemeenschap’

 

‘Gemeenschap’ is een woord als ‘cultuur’ of ‘wetenschap’. Iedereen heeft er wel een gevoel bij, maar als je probeert het wat nauwkeuriger te definiëren, blijkt dat nog niet zo gemakkelijk. In de context van de kerk komt al snel het begrip ‘koinoonia’ op, een woord dat je in het Nieuwe Testament o.a. vindt in verband met de eucharistie (de ‘gemeenschapsmaaltijd’). Die moet je, zeg ik dan maar als protestant, wat breder zien dan alleen de maaltijd van brood en wijn. De eucharistie is een eenheid van woord en sacrament. Kerkelijke gemeenschap heeft in elk geval iets te maken met een groep mensen die via woord en sacrament samen viert verbonden te zijn met Christus. En dat heeft dan weer allerlei consequenties voor de verhouding tussen mensen rond die tafel. De gemeenschap van Christus, de christelijke gemeenschap, is er een waarin allerlei onderscheidingen tussen mensen niet verdwijnen maar wel een andere status krijgen. Net zoals vervaarlijke kasteelruïnes uit een krijgshaftig verleden geen verdeeldheid meer zaaien, maar een trekpleister zijn geworden voor toeristen uit allerlei landen. Geen Jood, geen Griek, geen barbaar, geen slaaf of vrije, enzovoort. Paulus werkt die eucharistische gemeenschap ook uit in de verhouding tussen arm en rijk rond de tafel, en in de verhouding tussen wat hij ‘sterken’ en ‘zwakken’ noemt. Talloze malen lees je het woord ‘elkaar’ in zijn brieven: heb elkaar lief, vermaan elkaar, vergeef elkaar, vertroost elkaar, wees betrokken op elkaar. Als je dit allemaal zo overziet, krijg je toch de stellige indruk dat de apostel met ‘gemeenschap’ meer bedoelt dan een groep mensen die elkaar zo af en toe toeknikt rond een symbolische maaltijd – en dat was het dan. ‘Ga heen en word warm.’[/tab]

[tab title=”1b” ]De eucharistie is niet een vrome geruststelling voor mensen die niets met elkaar hebben, in de trant van ‘ongeacht hoe koud u elkander laat, geachte religieuze consumenten, in Christus bent u toch één’. Anderzijds lijkt de eucharistie me ook niet de viering van een al bestaande sociale eenheid, zoals een Italiaanse familiemaaltijd of een buurtbarbecue. Dat begint al snel op heidendom te lijken: de godsdienstoefening als stempel op de eenheid van de stam. ‘Zie toch hoe leuk zij elkaar vinden.’ Christelijke gemeenschap begint bij de eucharistie, de gemeenschap met Christus. De Pesachmaaltijd van Jezus met zijn leerlingen gebeurde op zijn initiatief: ‘Ik heb ernaar verlangd deze maaltijd met u te eten.’ Dat is wat de kerk tot ‘kerk’ maakt. Maar die gemeenschap met Christus werkt door in de mensen rond de tafel; zij máákt deze groep tot een gemeenschap van christenen – al zijn er een hoop bij die het nog niet zo zeker weten (‘Heer, ben ik het?’). En daarom is die gemeenschap ook principieel open. Niemand kan precies zeggen waar zij ophoudt. Ik denk hier aan het beeld van Christus als de wijnstok in Johannes 15. Dicht bij de stam is goed te zien waar de ranken beginnen en dicht bij de stam zijn ze ook dikker en steviger. Maar wie kan zeggen tot hoever ze dóórkronkelen en zich vertakken?

Kortom, de eucharistie (de viering van woord en sacrament) is niet een excuus voor het ontbreken van gemeenschap en ook niet de bevestiging van een al bestaande gemeenschap. De eucharistie sticht gemeenschap, zij verbindt ongelijke mensen aan elkaar en trekt nieuwe mensen in de kring. Naar mijn idee betekent dit dat relaties centraal moeten staan in ons denken over gemeenteopbouw, en dat we veel meer nadruk zouden moeten leggen op het belang van kleine gemeenten. Gemeenschap is niet een extra boven op een christelijke identiteit; het is christelijke identiteit. In een rijke gemeenschap realiseert zich het heil van Christus. Bij gemeenteopbouw gaat het in de eerste en in de tweede plaats om het vormen en versterken van onderlinge relaties en het verbreden van die relaties naar nieuwe mensen. De rest is secundair.
De gemeenschap heeft geen missie of actie; zij is de missie. Juist het feit dat de eucharistie gemeenschap sticht (en niet veronderstelt), betekent ook dat er niets comfortabels of romantisch is aan christelijke gemeenschap. Het is iets waarin je, aldus het boek Handelingen, moet ‘volharden’. Kerkelijke ruzies zijn dan ook doodnormaal; het zou verdacht zijn als er nooit wrijving was. De kerkelijke gemeenschap is, theologisch gezien, een onnatuurlijke gemeenschap, die familiale en tribale verwantschap of groepen van gelijkgezinden verstoort. Het is dus belangrijk dat die kerkelijke gemeenschap geen stilstaande poel water wordt met mensen die al veertig jaar met elkaar omgaan en elkaar zonder een woord begrijpen. Een kerkelijke gemeenschap heeft mensen aan de rand nodig, ongemakkelijke mensen, vreemde mensen, ongelovige mensen, nieuwkomers en bekeerlingen – kortom, mensen die elkaar eraan kunnen herinneren dat we het hier hebben over een merkwaardige en nogal onvergelijkbare vorm van gemeenschap. Wie missionair verlangen wegzet als een institutionele drift tot lijfsbehoud heeft dit niet begrepen. Een kerkelijke gemeenschap moet wel missionair zijn, omdat zij anders vergeet wat voor gemeenschap zij is.[/tab]

[tab title=”2a” ]Praktisch

De kern van kerk-zijn ligt wat mij betreft dus in een groep mensen rond een tafel, niet zo zeker van zichzelf of van elkaar, maar uitgenodigd door Christus. ‘Twee of drie in mijn naam’. ‘Gemeenschap’ is voor mij dan ook een onopgeefbaar begrip, zonder dat ik daar heel romantische voorstellingen bij koester. Ik heb niet veel op met abstracte manieren van spreken over de kerk die ‘gebeurt’ of in het spreken over ‘kerk’ zonder lidwoord, als een abstractum. Dat laatste hoor je soms wanneer mensen dingen zeggen als: “Overal waar iemand barmhartigheid verspreidt, daar is ‘kerk’”. Zulke uitspraken vind ik grammaticaal niet eens begrijpelijk, laat staan dat ik er theologisch iets mee kan. Praktisch zijn er natuurlijk ook duizend-en-een redenen te bedenken waarom ‘kerk’ en ‘gemeenschap’ niet los van elkaar te denken zijn. Ik noem een paar zaken:

  • hoe kunnen nieuwe generaties gevormd worden in de traditie van Jezus en de apostelen buiten een geloofsgemeenschap om? Hoe moeten de kinderen van gelovigen zelf gelovig worden als we de christelijke gemeenschap verwaarlozen? It takes a village to raise a child. Er zijn identificatiefiguren nodig, onderwijstrajecten, plausibiliteitsstructuren, kortom vormen van gemeenschap. Niet al die vormen zijn plaatselijk, maar vaak zijn ze wel afhankelijk van een vitaal netwerk van plaatselijke gemeenschappen;
  • hoe kunnen allerlei christelijk geïnspireerde activiteiten (van voedselbanken tot kerstconcerten) in de lucht gehouden worden zonder een groep mensen die bereid is ervoor te betalen en vrijwilligers te leveren? En hoe zou je die bronnen willen mobiliseren zonder christelijke gemeenschappen?;
  • hoe zou je theologisch onderwijs in stand kunnen houden en bekwame mensen kunnen uitsturen in kerk en samenleving als er geen groep van mensen is die dit onderwijs steunt, bereid is eraan mee te betalen, mensen vrijmaakt om theologie te doceren en te studeren, en bereid is jonge theologen nog wat praktische lessen mee te geven inzake trouwen en rouwen, troosten en meevieren, inwijden en begeleiden? En waar moeten zij dit leren als er geen geloofsgemeenschappen zijn?;
  • hoe kunnen buitenstaanders een beeld krijgen van wat christelijk geloof inhoudt, wanneer zij dit puur en alleen moeten onttrekken aan de schilderijen van Rembrandt of aan die anderhalve publiekstheoloog die wel eens op tv komt? Hoe zou dit moeten zonder plaatselijke gemeenschappen die vanuit hun christelijke inspiratie actief zijn in de samenleving en op een zichtbare plek geregeld elkaar ontmoeten om aan hun gemeenschap herinnerd te worden

[/tab]

[tab title=”2b” ]Kortom, ik houd het graag concreet. Zowel theologisch als praktisch is het ondenkbaar om over ‘kerk’ te spreken als daarbij niet allereerst een plaatselijke gemeenschap van mensen in beeld is. Ik kan dan meteen ook antwoord geven op de vragen die in de uitnodigingsbrief van deze dag stonden. Is de kerkelijke gemeente een “overkoepelende institutie” of eerder een “los netwerk”? Geen van beide, natuurlijk. De kerkelijke gemeente is wat er aan menselijke relaties uit de eucharistie groeit, zo diep mogelijk de wereld in. Is fuseren van krimpende gemeenten een goed idee? Niet als je daarmee de krimp wilt keren, niet als institutionele maatregel. Alles wijst erop dat fusies in dit opzicht niets uithalen. Maar wanneer je het ziet als een manier om twee in zichzelf gegroeide gemeenten weer iets te leren van het avontuur van gemeenschap, kan het een prima idee zijn. Ineens allemaal nieuwe mensen om lief te hebben en te verdragen, dat is geen kleinigheid. De eucharistie zou in zo’n fusiegemeente weer iets kunnen worden van een inspiratiebron voor gemeenschapsvorming, in plaats van de symbolische onderstreping van jarenlang vertrouwd zijn met elkaar. Dat daarvoor bekwaam geestelijk en theologisch leiderschap nodig is, behalve verstandige managers, lijkt me buiten kijf te staan.[/tab]

[tab title=”3a” ]Een missionaire gemeenschap?

Maar hoe is zo’n gemeenschap nu missionair? Dat woord ‘missionair’ is inmiddels zo belast dat veel overwerkte gemeenteopbouwers en voorgangers het niet meer kunnen horen. Een van de problemen met dit begrip is dat het, zoals zoveel woorden, op verschillende niveaus gebruikt kan worden. En binnen een institutioneel kader, zeker als het gaat over een bedreigd instituut zoals de kerk, gaat ‘missionair’ al snel iets betekenen als: Tom Poes, verzin een list om ons te redden. In het kort: ‘missionair’ zijn komt dan neer op hetzij proberen meer mensen op zondag in de samenkomst te krijgen en (als het even kan) als contribuant op een ledenlijst, hetzij proberen aan ‘de buitenwereld’ te bewijzen dat de kerk heus relevant is, óók ‘in de laatmoderne samenleving’. Dat is allemaal niet gek of erg; het is een doodnormale houding van alle bedreigde instituten. De kunstensector, vakbonden en de PvdA doen het precies zo. De bottom-line is immers heel simpel: als je aan niet-leden niet kunt uitleggen wat je nut is en als je niet in staat bent je verliezen aan te vullen, dan zul je verdwijnen. We kunnen daarover schamper doen, maar daar verandert de werkelijkheid niet van.
In alle nuchterheid: als de kerk niet meer is dan mensenwerk, een religieuze expressie van gemeenschapszin of van idealisme, of een winkel waar religieuze consumenten hun wekelijkse of maandelijkse inspiratie tanken, dan is deze institutionele reflex inderdaad de meest verstandige optie. De oplossing voor die vermoeidheid is naar mijn gevoel niet dat we ‘teruggaan naar onze missie’. Dat is vaak wel de enige optie voor al die in verval geraakte instituten: ‘waar deden we het ook alweer allemaal voor? Laten we herbronnen. Laten we onze core business weer ontdekken.’ Enzovoort. Maar bij de kerk werkt dat niet; je maakt het probleem zo alleen maar erger. Een van de grootste problemen van de afgelopen eeuw is namelijk dat het hele begrip ‘missie’ totaal vervormd is geraakt. In mijn jongste boek, Vreemdelingen en priesters, werk ik dat verder uit. Als ik het heel kort mag houden: sinds het langzame verval van de christelijke cultuur van Europa (de ‘Christenheid’ of het corpus christianum) in de moderne tijd steeds duidelijker is geworden, heeft de missie van christenen – orthodox of vrijzinnig, evangelicaal of oecumenisch, protestant of katholiek – in het teken gestaan van herstel. Op de een of andere manier heeft men steeds gezocht de eenheid van christendom en cultuur terug te winnen, men is op zoek geweest naar de “grote eenheidsvisie” (Bert Hoedemaker). Dat kon op allerlei manieren. Bijvoorbeeld door net te doen alsof mensen nog altijd samen schuilen onder één waardenparaplu, onder één deken van ‘religie’ of ‘spiritualiteit’. Hier herkennen we de oude volkskerkelijke impuls, die het verschil tussen kerk en wereld altijd probeert zo onzichtbaar mogelijk te houden. In feite komt het erop neer dat het verval van de Christenheid hier wordt gerelativeerd; in de praktijk hebben mensen heus nog altijd veel gemeen.[/tab]

[tab title=”3b” ]Diep van binnen willen we allemaal hetzelfde. Voetbal is ook religie. Tuinieren is ook spiritualiteit. Missie is hier zoeken naar verbinding, de kerk relativeren, benadrukken dat er heus nog veel Godzoekers zijn en dat ‘religie’ (bij voorkeur zo vaag mogelijk gedefinieerd) op straat ligt. Anderen richten zich op kerkgroei: er moeten mensen bij, de kerk moet groeien, en onze missie is dat uiteindelijk de wereld kerk moet worden. Dan is de eenheid weer hersteld. Missie is hier evangeliseren, gastvrije kerken vormen, laagdrempelig zijn, zoekergerichte diensten, Alpha-cursussen. Een derde grote stroming is gericht op het veranderen van de wereld. De kerk moet verzoening, vrede, gerechtigheid brengen in de wereld en zo de wereld maken tot een betere plaats, een plaats van Gods koninkrijk. Ook hier is de zoektocht gericht op de grote eenheidsvisie: cultuurverandering, een nieuwe Christenheid. Hier is missie voedselbanken organiseren, de politiek beïnvloeden, christenen toerusten om op hun werk transformatief bezig te zijn.

Allemaal goede dingen in zichzelf. Maar ze maken ook duidelijk waaraan christelijke missie momenteel lijdt. Bij alle varianten die uitgaan van de eenheid van de mensheid (de volkskerkelijke varianten, de ‘kerk binnenstebuiten’, enz.) wordt het verschil tussen kerk en wereld vervaagd, terwijl zending nu juist van dit verschil leeft. Christus kwam in de wereld, voor de wereld; hij roept mensen uit de wereld om in die wereld te getuigen en niet van die wereld te zijn. Het gaat er bij dit alles niet om de grens tussen kerk en wereld scherp te definiëren, alsof dat mogelijk zou zijn of zelfs wenselijk. Maar er is verschil tussen verbonden te zijn met Christus en hem te volgen, en dat niet te doen. Er zijn diepe levensbeschouwelijke verschillen tussen mensen. Zending begint bij dat besef; het verschil tussen geloof en ongeloof. En zo neem je mensen uiteindelijk ook serieuzer, door niet net te doen alsof ze ‘eigenlijk’ ook een geloof hebben, of door hen tegen wil en dank te beschouwen als anonieme christenen of geboorteleden, of wat niet al. Zending begint bij de wereld serieus nemen, juist omdat je de kerk serieus neemt.[/tab]

[tab title=”3c” ]Bij al die varianten die uitgaan van kerkgroei of wereldverbetering, zien we een ander probleem: zending wordt geïnstrumentaliseerd in dienst van een ‘hoger’ doel. Jezus zei dat er in de hemel vreugde is over één zondaar die zich bekeert, maar in deze instrumentalistische zendingsopvatting, kijken we beteuterd toe: “Eentje maar? Bij lange na niet genoeg om de verliezen te compenseren.” En Paulus spoorde zijn gemeenten aan om nooit moe te worden het goede te doen, maar wie de wereld wil transformeren of daar het koninkrijk wil bouwen, wordt al heel snel moe – als mensen niet zo dankbaar zijn, als de machten van onrecht het gezaaide graan verstikken, als overheden tegenwerken en als je geloofsgenoten tegenvallen. “Allemaal prachtig, die voedselbanken en het toerusten van christenen als managers en ziekenhuisdirecteuren, maar haalt het wat uit? Verandert het iets in de wereld?” Daarom is de oplossing voor de gemeenschap die ‘kerk’ heet niet: terugkeren naar de missie. In de praktijk draait dit namelijk uit op: doen alsof het allemaal wel meevalt, alsof het eigenlijk ook niet zo belangrijk is dat mensen Jezus volgen; of een programma uitrollen om de wereld te veroveren of te veranderen naar onze blauwdrukken. Die benadering van zending heeft veel spirituele schade aangericht. Om één voorbeeld te noemen: als het inderdaad onze missie is om de wereld te veranderen, om daar recht en vrede te brengen, dan kunnen we er niet omheen dat er heel wat niet-christenen zijn die daar prima in slagen zonder God. Maar dat ondergraaft onze spiritualiteit. Immers, als de kerk er inderdaad is om de wereld te veranderen en als dat ook best lukt zonder te bidden en psalmen aan te heffen, waarom zou je dat in vredesnaam dan nog doen?

Ziedaar de merkwaardige spagaat waarin veel christenen verzeild raken. Aan de ene kant vind je christenen die menen dat christenen heus veel beter zijn in gerechtigheid en vrede dan niet-christenen (iets wat je alleen kunt volhouden door serieuze contacten met andersdenkenden te vermijden). Aan de andere kant vind je christenen die op omslachtige religieuze wijze nog eens herhalen wat de wereld allang weet (het saaie van een bepaald type vrijzinnigheid, dat niet veel meer is dan een christelijk verfje over linksige idealen). Ik denk dat we momenteel aan het piepende en krakende einde zijn geraakt van een eeuw of wat aan kerkelijk en missionair denken, dat gericht was op herstel van de christelijke cultuur en daarom alle goede dingen die christenen kunnen doen instrumentaliseerde in dienst van dat doel: een grote kerk met grote invloed. En volgens mij hebben we ook zo langzamerhand wel de uiterste homeopathische verdunning bereikt van pogingen om ‘wereld’ en ‘kerk’ in elkaar te definiëren via steeds vagere overkoepelende begrippen. In mijn boek probeer ik daarom een herbezinning op gang te brengen over wat het betekent om christelijke gemeenschap te zijn in een postchristelijke cultuur. Ik zoek naar een spiritualiteit die niet afhankelijk is van succes in termen van kerkgroei of wereldverbetering, een missie die niet wordt geïnstrumentaliseerd in dienst van nostalgie naar een verloren verleden. Naar mijn besef vraagt dit om een grondige theologische en spirituele heroriëntatie, een andere manier van denken en verbeelden over kerk en missie. [/tab]
[tab title=”4a” ]Vreemdelingschap en priesterschap

De titel van mijn boek is ontleend aan de eerste brief van Petrus, waar christelijke gemeenschappen ‘vreemdelingen’ genoemd worden, maar ook een ‘volk van priesters’. Volgens mij zijn dit de twee polen van christelijke identiteit, die we allebei nodig hebben om tot een nieuwe plaatsbepaling te komen. Het woord ‘vreemdelingschap’ sluit natuurlijk aan bij de tradities van de ballingschap en de diaspora. Ik kan hier niet die hele traditie uitpakken, maar ik stip heel kort een paar noties aan:

  • Israëls ballingschap was een tijd waarin alles instortte. De beloften van God leken niet meer geldig. Andere goden waren superieur. De ballingen vormden een kleine minderheid in een grote wereld. Maar in de ballingschap leerde Israël dat God het niet verlaten had; het was een tijd van grote ontdekkingen, een tijd van nieuwe impulsen – theologisch, spiritueel, praktisch. Het woord ‘vreemdeling’ herinnert ons eraan dat zo’n tijd een tijd is waarin God te vinden is, en waarin een nieuwe missie verwacht mag worden.
  • ‘Vreemdelingschap’ verwijst op allerlei manieren naar ‘anders zijn’, zonder dat dit per se betekent dat de gemeenschap zich verzet tegen de wereld om haar heen, of door die wereld vijandig behandeld wordt. Jozef, Daniël, Esther – ze waren vreemdelingen, maar werden gerespecteerd en kregen hoge posities. De eerste brief van Petrus schetst de omgeving van de christelijke gemeente als dynamisch: soms bedreigend, soms belangstellend, vaak onverschillig. Er is niet één houding of relatie die altijd geldt. Kenmerkend voor vreemdelingschap is wel een gebrek aan macht om de wereld te beïnvloeden. Ook nu geldt dat christenen niet meer de macht hebben om de samenleving zo in te richten dat het leven voor hen net iets gemakkelijker wordt dan voor anderen. Vreemdelingschap betekent: afhankelijk zijn van machten buiten je gemeenschap, afwachten wat zij over je beslissen. Dat valt soms mee, soms valt het tegen, en meestal behandelen de machten je met welwillende onverschilligheid.[/tab]

[tab title=”4b” ]Naar mijn besef is het belangrijk dat christenen dit vreemdelingschap erkennen en omarmen. Nederland is niet één grote familie, waarin iedereen het wel zo’n beetje met elkaar eens is. Nederland is ook geen christelijk land meer, als het dat ooit is geweest. Nederland is een land waarin verschillende ‘stammen’ met elkaar samenleven. Christenen vormen zo’n ‘stam’, met een bijzondere roeping voor het geheel. Die roeping kunnen we aanduiden met het tweede woord dat Petrus gebruikt: de gemeente is een ‘koninkrijk van priesters’. Het woord ‘priesterschap’ refereert aan een andere oudtestamentische lijn, die waarin mensen of een hele gemeenschap worden aangesteld voor het welzijn van een veel grotere groep. Zonder het verder uit te werken: priesterlijke taal vinden we bij Adam en Eva (Gen. 2-3), het volk Israël (Ex. 19:4-6), en bij de mysterieuze figuur die zowel koning is als priester in de vier ‘knechtliederen’ in de tweede Jesaja. In mijn boek beargumenteer ik dat voor Petrus deze benaming van de gemeente als ‘koninkrijk van priesters’ alles te maken heeft met de verbinding van de gemeente met Jezus Christus (die in de vroege kerk algemeen werd geïdentificeerd met de ‘knecht’ uit deuterojesaja). Een christelijke gemeenschap, door woord en sacrament verbonden met Christus, is een priesterlijke gemeenschap. Dat woord ‘priesters’ slaat hier allereerst op het collectief. Ook dat kan ik hier alleen maar stellen en niet beargumenteren, maar ik wil het wel graag benadrukken. De volgorde is belangrijk: individuele christenen zijn niet allereerst individueel priester en zo vormen ze samen een priesterlijke gemeenschap. Nee, de gemeenschap is ‘priesterlijk’ en van daaruit ontvangen individuele christenen hun identiteit als priesters. Ook hier heeft de gemeenschap prioriteit.

Bij ‘priesterschap’ gaat het om bemiddeling en vertegenwoordiging. De gemeenschap staat als het ware tussen God en de mensenwereld in: zij vertegenwoordigt God voor de mensen en de mensen voor God. Die dubbele vertegenwoordiging is voor mij de kern van een missionair bestaan. En opnieuw laat de eerste brief van Petrus zien wat dit inhoudt. God vertegenwoordigen voor de mensen, dat houdt in: getuigen en goed doen, zegenen, dienen, verantwoording afleggen. Dit is geen strategisch ideaal; die dingen gebeuren niet om er grotere dingen mee te bereiken. Al die dingen zijn goed in zichzelf, omdat zij God ‘vertegenwoordigen’. Zij gebeuren met geen andere agenda dan Gods liefde te laten zien. En de mensen vertegenwoordigen voor God, dat houdt blijkbaar primair in: lofprijzing. Volgens deze brief is de gemeente niet op aarde om de wereld te veranderen of de kerk te laten groeien, maar ‘om de grote daden van God te verkondigen’ (2:9). Namens de wereld, of die dat nu erkent of niet, komt de gemeenschap voor God om hem aan te roepen en te prijzen en zo vertegenwoordigt zij de mensheid voor God. Opnieuw: dat is niet instrumenteel. De liturgie en ook de dagelijkse spiritualiteit zijn niet bedoeld om er nog weer hogere doelen mee te bereiken, om christenen ‘toe te rusten’ voor dienst in de wereld, of iets dergelijks. God verheerlijken is hoog genoeg. Het tegengif voor een missie die bezwijkt onder verdunning en instrumentalisatie is een lofprijzende liturgie en spiritualiteit, niet uit op iets anders dan zegen verspreiden [/tab]

[tab title=”5a” ]Gemeenteopbouw en gemeenschap

Ik begon mijn verhaal met te zeggen dat gemeenteopbouw primair draait om het vormen en uitbreiden van de christelijke gemeenschap. De missie is de gemeenschap, omdat daarin zich het heil realiseert en uitstroomt in de samenleving via allerlei soms heel dunne en haast onzichtbare ranken en vertakkingen. Aan het eind van mijn verhaal gekomen, wil ik deze visie op een priesterlijke gemeenschap nog wat uitwerken in de richting van missionaire gemeenteopbouw. Een priesterlijke identiteit nodigt ons uit om een minderheidspositie niet als een probleem te zien, maar hoopvol te omarmen. Priesters zijn per definitie een minderheid. Volgens mij zou het een goede stap vooruit zijn wanneer vermoeide en soms uitgebluste christenen – stukgelopen op hun onvermogen om de kerk vol te krijgen en de wereld te veranderen – aangesproken worden op hun priester-zijn.

Priester zijn betekent niet primair dat we ons voortdurend druk maken om de mensen die (nog) geen priester zijn en het ook niet willen worden; het betekent allereerst dat wij ons ertoe zetten om ook namens hen God de lof te brengen die hem toekomt. Als ik naar de kerk ga als enige uit mijn straat of als enige uit mijn familie, dan doe ik dat ook namens mijn buurt of mijn familie. Christen-zijn betekent op dat moment: priester zijn uit naam van de bewoners van de straat, offeren ten behoeve van de familie. Ouders gaan voor hun kinderen, kinderen voor hun ouders, buren voor elkaar. Door heel de Bijbel heen vind je die gedachte van een gelovige minderheid die optreedt ten behoeve van een meerderheid die dit geloof niet deelt. Hun geloof en gebed ‘draagt’ op de een of andere manier veel meer mensen dan zijzelf beseffen. Dit betekent ook dat christenen een veel ruimer evangeliserend arsenaal ter beschikking hebben dan alleen mensen uitnodigen om mee te gaan naar de kerk.[/tab]

[tab title=”5b” ]Een priesterlijke houding zorgt voor nabijheid bij medemensen. Priesters zouden langs kunnen gaan bij hun buren of bij hun stadsbestuur, en hun vragen of zij voor hen kunnen bidden in de viering op zondag. Priesters zouden namens hun niet-kerkelijke familie God kunnen prijzen voor al het moois dat zij hebben ontvangen. Zij zouden de schuld van de wereld, de buurt en hun familie voor God kunnen brengen in de dienst van verzoening. Sommige mensen zullen het waarderen dat christenen dit namens hen doen, terwijl het anderen koud laat of ergert. Maar dit geeft aan de christelijke minderheid een fundamenteel belangrijke taak die zij altijd kunnen uitvoeren, ongeacht of hun omgeving zich er iets door laat gezeggen of niet. Lofprijzing en voorbede zijn in de kerkdienst altijd ook ten behoeve van de wereld. Christenen aanbidden God uit naam van Gods wereld die God niet erkent. Dit geeft een sterke en positieve identiteit aan mensen die niet succesvol zijn in termen van kerkgroei of overtuigingskracht. Christenen mogen geloven dat zij ertoe doen in Gods wereld, of hun omgeving dat nu erkent of niet. Het geeft hun een voortdurende, aandachtige betrokkenheid op hun omgeving, op wat mensen bezighoudt. Zo groeit hun liefde voor anderen en wordt hun gebed sterker en rijker.

Nog één ander aspect wil ik hier noemen. Als we serieus nemen dat “it takes a whole world to understand a whole Christ” (Kenneth Cragg), dan betekent dit iets heel belangrijks voor plaatselijke gemeenschappen van priesters. Een missionaire gemeenschap van priesters moet proberen haar vermogen om de mensheid voor God te vertegenwoordigen te optimaliseren. Een eucharistische gemeenschap wil een werkelijk universele gemeenschap zijn (hoe klein ook in getal), die de volheid van Christus laat zien aan de wereld (Ef. 3). Kunnen we werkelijk de offers en dankzegging van heel de plaatselijke gemeenschap voor God brengen, is onze gemeenschap rijk en veelkleurig genoeg om Christus te laten zien aan de mensheid? Zijn er groepen, klassen, generaties, die ondervertegenwoordigd zijn of zelfs afwezig? Juist voor kerken die moeizaam worstelen om te blijven voortbestaan in een diep-seculiere samenleving is het belangrijk om evangelisatie op deze manier te benaderen.[/tab]

[tab title=”5c” ]Wanneer het eigen overleven van de kerk centraal staat, gaan vragen naar kwantitatieve groeimogelijkheden al snel alles overheersen. Een vergrijzende kerk gaat bijvoorbeeld op allerlei (vaak geforceerde) manieren proberen jongeren te trekken. Wanneer dit vervolgens niet lukt, omarmt men van de weeromstuit al snel een theologie waarin evangelisatie wordt afgedaan als iets sektarisch, iets voor ‘anderen’ (lees: evangelischen) die de kerk voor het koninkrijk zetten. Maar bij de gemeente als priesterschap gaat het niet om de volheid van de kerk, maar om de volheid van Christus. Een vergrijzende kerk kan en moet evangeliseren, niet om haar institutionele voortbestaan te verzekeren, maar omdat er in haar omgeving juist die ene persoon kan zijn die – ongeacht zijn of haar leeftijd, vruchtbaarheid en vitaliteit – iets kan toevoegen aan de lofprijzing en aan het kennen van Christus. Zo kan een gevarieerde, lokaal gewortelde groep van tien mensen meer kerk zijn dan een homogene groep van tweeduizend die op zondag van heinde en verre komen aanrijden. Hiermee is de evangeliserende dynamiek van de priesterkerk aangegeven als een zoektocht om mensen op allerlei manieren in verbinding te brengen (direct of indirect) met het eucharistisch hart van de kerk. Het is een model dat flexibel reageert op de pluralistische, multiculturele samenleving en een positief ideaal neerzet: ‘samen met alle heiligen’ een plaatselijke representatieve aanbiddende gemeenschap vormen. Daarom is in dit model ook voluit plaats voor evangelisatie en bekering, zelfs al weten christenen dat slechts een minderheid van de mensheid priester zal zijn. Die minderheid is echter boven alles een hoopvolle minderheid. [/tab]
[/tabs]